Dragen en heupontwikkeling

Op het moment dat een baby wordt geboren is hij/zij nog niet volledig ontwikkeld. Dat geldt ook voor het heupgewricht. Dat bestaat volledig uit kraakbeen wat uitrijpt tot bot in ongeveer twee jaar tijd.
Het heupgewricht is een kogelgewricht. Dat is een gewricht dat bestaat uit een kom van bot, waarin het andere bot, dat kogelvormig is, vrij kan ronddraaien. Kogelgewrichten kunnen krachten opnemen in alle richtingen. Om de kom in de goede vorm te laten rijpen tot bot is dus een juiste druk vanuit de juiste richting nodig.
De ideale positie voor de heupkom om te ontwikkelen en uit te harden is de spreid-hurkhouding. De beentjes omhoog in een hoek van 90 (-120) graden (oprichting) en de beentjes gespreid in een hoek van ongeveer 90 graden tussen de knietjes (abductie). In deze positie bevindt de heupkop zich gecentreerd in de heupkom wat een gelijkmatige groei bevordert.

Als je naar baby’s kijkt zie je dat zij automatisch deze houding al aannemen, alsof ze weten wat goed voor hen is. Ook het bolle ruggetje heeft met deze houding te maken. De wervelkolom en het bekken zijn met elkaar verbonden via het heiligbeen. Bewegingen van de wervelkolom hebben direct invloed op het bekken en andersom. Als een baby zijn rug rond maakt, kantelt het bekken licht naar voren, waardoor de beentjes in de spreid-hurkhouding komen, wat een gezonde ontwikkeling mogelijk maakt. Als de rug recht gehouden wordt, of zelfs hol, kantelt het bekken naar achteren, en hangen de beentjes naar beneden waarmee de heupkop niet meer gecentreerd in de heupkom staat.. Dit kan een negatieve invloed hebben op de ontwikkeling van het heupgewricht. Juist om die goede ontwikkeling mogelijk te maken moet een baby zo vaak mogelijk in de spreid-hurkhouding gehouden worden.

Dat baby’s deze houding automatisch aannemen heeft de natuur zo bedoeld en zou zo vaak mogelijk gebruikt moeten worden. Met het dragen zit een kindje juist in deze spreid-hurkhouding. Maar alleen als er een goede drager gebruikt wordt met een zacht rugpand wat de bolle rug ondersteund en een zitvlak heeft wat van knie tot knie loopt. Hierin mogen baby’s gelijk vanaf de geboortedag rechtop gedragen worden en met de onderbenen vrij. Met het dragen van de beentjes in de drager, bestaat de mogelijkheid dat de druk op de beentjes zorgt voor een verkeerde positie en dat de heupkop niet mooi gecentreerd in de heupkom staat.Om dezelfde reden worden onder andere ook de wieghouding en het inbakeren afgeraden.

Voor kinderen met aanleg voor heupafwijkingen is dragen alleen maar goed, maar geen garantie dat heupproblemen voorkomen of opgelost worden. De vergelijking tussen dragen en een spreidmiddel is gauw gemaakt, de beentjes bevinden zich in dezelfde positie.Mocht je kindje een spreidmiddel moeten dragen, ga niet op eigen initiatief dragen zonder spreidmiddel, maar overleg wat er mogelijk is met je behandelend arts. Ook dragen met spreidmiddel is heel goed mogelijk.Jolijn Geerdink

referentie: Dr A.K. Mostert, kinderorthopedisch chirurg, Isala Klinieken, Zwolle.
September 2012